Alleen in de wereld

 

Oorspronkelijke titel: Sans Famille

Geschreven door Hector Malot
Serie Oud-Goud Deel III
Verhalen uit vroeger tijden opnieuw aan Nerlands jeugd verteld, door P. de Zeeuw J. Gzn.
Zesde druk, 1952
Omslag en platen van Roothciv
Uitgever G.B. van Goor Zonen - Den Haag - Batavia

 

 

Hector Malot werd op 20 mei 1830 geboren in La Bouille, een plaatsje dicht bij Rouaan.
Tijdens zijn studie rechten, werkte hij bij een notaris. Daar begon hij met schrijven. Zijn eerste boek was Les Amants uit 1859. Dit werd een groot succes. Hierdoor aangemoedigd schreef hij vervolgens vele populaire romans. Zijn bekendste boek Sans Famille, schreef hij in 1878. Hij droeg het op aan zijn dochter Lucie. Het boek maakte zulk een opgang, dat het met de Montyonprijs werd bekroond. In 1893 werd dit boek gevolgd door En Famille. Hector Malot overleed te Fontenay-sous-Bois op 17 juli 1907.

 

Alleen op de Wereld is het verhaal van de achtjarige Remi (een vondeling). Hij woont bij pleegmoeder Barberin. Omdat zijn stiefvader geen werk meer heeft, wordt de koe Rousette verkocht. Uiteindelijk verkoopt zijn stiefvader ook Remi aan Vitalis, een straatmuzikant.


Met een troepje dieren - meneer Joli-Coeur het aapje, signor Capi, signor Zerbino en signora Dolce, de drie honden - trekken zij als muzikanten het land door. Vitalis is goed voor Remi, hij leert hem lezen, schrijven en muzieknoten lezen, zodat hij ook kan leren harp te spelen. Als Vitalis wordt opgepakt, omdat hij een lastige agent heeft geslagen, gaat Remi alleen met de dieren verder. Hij ziet een prachtig scheepje door een kanaal varen met aan boord een zieke jongen met zijn moeder. Als hij ze later ontmoet, maakt hij kennis met de jongen. Hij heet Arthur en zijn moeder is mevrouw Milligan, een Engelse dame. Remi mag meevaren op het schip "De Zwaan". Hij heeft een heerlijke tijd. Als Vitalis weer vrij komt, trekt Remi weer met hem mee, op weg naar Parijs.
Tijdens een sneeuwstorm overlijdt Vitalis en worden Zerbino en Dolce door de wolven verscheurd. Joli-Coeur, het aapje wordt hierdoor ernstig ziek en ook hij gaat dood. Remi was bijna bevroren, doch hij wordt wakker in een bed bij vader Acquin, een tuinman, die hem gered heeft. Vader Acquin heeft 4 kinderen, de jongens Alex en en Benjamin en de meisjes, Martha en Lize. Lize is de jongste en is stom, zij kan wel horen, doch niet praten. Ook Capi, de zwarte poedel, mag in het tuindershuis wonen. Remi komt nu te weten dat Vitalis de vroeger heel beroemde operazanger Carlo Balzani was.
Dan slaat het noodlot opnieuw toe. Door een hevige hagelstorm worden de kassen verwoest en moet vader Acquin de gevangenis in omdat hij nu zijn schulden niet kan afbetalen. De kinderen worden verdeeld in het land bij ooms en tantes ondergebracht en Remi trekt met Capi weer de wereld in.


In Parijs gekomen gaat hij naar een kennis van Vitalis, signor Garofoli, daar ontmoet hij Mattia, een jongen van zijn eigen leeftijd. Mattia wordt mishandeld door Garofoli en samen vluchten Remi en Mattia weg. Zij besluiten samen verder te trekken en de kost te verdienen door muziek te maken, Mattia op zijn viool en Remi op de harp. Als de jongens genoeg geld hebben verdiend om een koe te kopen voor moeder Barberin, gaan ze haar de koe brengen. Moeder Barberin vertelt Remi dat zijn familie naar hem op zoek is. Remi en Mattia gaan naar Engeland op zoek naar zijn familie en komen in het gezin van de familie Driscoll, die beweren de ouders van Remi te zijn. Het zijn echter dieven en oplichters. Ze ontmoeten daar ook James Milligan, een oom van Arthur, die een niet zo fraaie rol speelt. Ze vluchten terug naar Frankrijk en gaan op zoek naar "De Zwaan". Onderweg horen ze dat ook Lize nu meevaart op "De Zwaan", omdat haar pleegouders dood zijn.


Uiteindelijk vindt Remi de boot en blijkt Arthur zijn broer te zijn en mevrouw Milligan zijn chte moeder. Nu krijgen ze een heerlijk leven met elkaar.
Jaren later is vader Acquin zijn chte vader geworden, Mattia een beroemd violist, Arthur weer helemaal beter en is Remi getrouwd met Lize. Samen hebben ze een zoon, Mattia genaamd, waarvoor moeder Barberin mag zorgen. Ook Capi is er nog.
Mattia en Remi zijn hun moeilijke jeugd niet vergeten en hebben samen een tehuis voor arme straatmuzikanten gesticht.

 


Kruimeltje

 

Kruimeltje

Gechreven door Christiaan van Abkoude
Illustraties van Pol Dom
Uitgave gebr. Kluitman Alkmaar
Voor het eerst verschenen in 1922.

 

"Kruimeltje" is n der meest bekende boeken van Chr. Van Abkoude. Dat is geen wonder, want zijn beschrijving van het Rotterdamse straatjongetje is niet alleen voor kinderen zeer boeiend. Kruimeltje heeft geen ouders en is gaan zwerven toen zijn pleegmoeder, vrouw Koster, overleed. Zij viel van de keldertrap toen zij een emmer kolen haalde. Het enige wezen dat nu nog om Kruimeltje geeft is zijn hond Moor, die al zijn avonturen deelt.
Als het winter wordt en de straten onder een dikke laag sneeuw liggen en de arme Kruimeltje niet meer weet waar hij naar toe moet, ontfermt Wilkes, een oude man uit een klein vervallen winkeltje, zich over de twee en geeft ze een warm onderkomen. Hoe Kruimeltje zijn ouders heeft verloren, is een hele geschiedenis en hoe hij ze uiteindelijk weer terugvindt is het einde van dit romantische kinderboek.

 

Kruimeltje is verfilmd in 1998 door Shooting Star Filmcompany onder regie van Maria Peters.

 

Fragment uit het boek:
Het was een donkere hoek, de sneeuw was er hoog in opgewaaid en Kruimeltje zakte er tot aan z'n knien in. Maar van binnen was de kist droog. Hij schudde de sneeuw van zich af, voor hij er inging, want hij wilde het hooi niet nat maken. Toen kroop hij in de kist en voelde, dat hij op een bundel stapte. Een zacht gejank klonk op en tastend met de handen merkte hij, dat er een hond in de kist lag te slapen.
Het dier ontwaakte en kreunde zachtjes. "Stil maar, ouwe jonge," zei Kruimeltje, "wees maar niet bang, dat ik je weg zal jage....Ik kom maar een beetje bij je ligge, dan zullen we mekaar warme, h? Hebbe ze jou ook de straat opgestuurd?"

 

 

 

Dik Trom

 

Dik Trom

Uit het leven van Dik Trom

Geschreven door C. Joh. Kieviet
Illustraties door Joh. Braakensiek
Uitgave gebr. Kluitman Alkmaar
Eerste uitgave 1891

 

Een boek over een gezellige dikke jongen met een hart van goud. Vol met komische invallen en ongedwongen pret. Levend in een klein dorp waar hij vele avonturen beleeft.

 

Dik Trom

Vervolgdelen van Dik Trom:
De Zoon van Dik Trom, 1907
Toen Dik Trom een jongen was, 1912
Dik Trom en zijn dorpsgenoten, 1920
Het tweede boek van Dik Trom en zijn dorpsgenoten, 1923
Avonturen van Dik Trom, 1931

 

Hoofdpersonen: Dik Trom - Piet van Dril - Jan Vos - Bruin Boon - veldwachter Flipsen - en natuurlijk zijn vader met de gevleugelde uitspraak:"'t Is een bijzonder kind, dat is-ie."

 

Fragment uit het boek:
Bruins moeder stond op het gehele dorp te slechter naam en faam bekend; ieder fatsoenlijk mens meed haar. Dik Trom Zij hield haar gebalde vuist voor Dik's gezicht, en schreeuwde, terwijl ze van haar mond bijna een hooischuur maakte: " Kwade bengel van een jongen, durf jij mijn Bruin in het water te gooien? Je kunt het arme kind nooit met rust laten, het schaap, hij doet jou toch immers ook niets? Lelijke brutale deugniet, wat denk je wel? Geloof je soms, dat iedereen naar jouw pijpen moet dansen, zeg, en dat je maar mag doen wat je wilt? Raak hem nog eens aan, als je durft, dan zal ik je ogen uit je hoofd krabben, versta je dat, uilskuiken, opgeblazen luchtbol?"
Dik knikte zeer vriendelijk van ja; hij vermaakte zich kostelijk. Doodkalm en plechtig zei hij:"Vrouw Boon, een ogenblikje alsjeblieft." Even kalm en bedaard draaide hij zich om, legde beide handen op een paal, nam een sprong, en wipte erop. Toen wees hij met een vriendelijk gebaar naar een andere paal, en zei: "Zie zo, ga nu maar door, alsjeblieft; wil u liever ook gaan zitten? Geneer u niet!"

 

 

Pietje bel

 

Pietje Bell

Geschreven door Christiaan van Abkoude
Gellustreerd door Jan Rinke (1863-1922)
Omslag, vrij naar Jan Rinke, van Henri Pieck (1895-1972)
Uitgeverij Kluitman - Alkmaar
Zevenentwintigste druk, 1957

 

De eerste uitgave van "Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen", verscheen met illustraties van Jan Rinke in 1914.
Vanaf 1958 is de uitgever begonnen de Pietje Bell-serie als pocket op de markt te brengen. Daarna heeft de kinderboekenschrijver W. N. van der Sluys, met goedvinden van de familie van Abkoude, de tekst van enige delen drastisch "aan de moderne tijd aangepast".

 

In de jaren vijftig oogstte de verfilming van "Pietje Bell's goocheltoeren" veel succes.
In 2002 is Pietje Bell ook verfilmd door de Shooting Star Filmcompany B.V., onder regie van Maria Peters.

Vervolgdelen van Pietje Bell:
De vlegeljaren van Pietje Bell, 1920
De zonen van Pietje Bell, 1922
Pietje Bell's goocheltoeren, 1924
Pietje Bell in Amerika, 1929
Nieuwe avonturen van Pietje Bell, 1932
Pietje Bell is weer aan de gang, 1934
Pietje Bell gaat vliegen, 1936

 

Korte inhoud:
In de Rotterdamse Breestraat, wonen schoenmaker Pieter Bell, die door iedereen Jan Plezier genoemd wordt, omdat hij altijd lacht en vrolijk is, zijn vrouw Marie en hun 14 jarige dochter Martha, die de kweekschool volgt, om later onderwijzeres te gaan worden. Jan Plezier is het tegenovergestelde van zijn buurman Geelman, de drogist, die altijd zuur kijkt en een echte izegrim is. Geelman heeft een 12 jarige zoon, Jozef, die altijd braaf en erg sloom is.
Pieter Bell's grootste wens gaat in vervulling, als er op een dag een zoon wordt geboren. De kleine Pieter Bell lijkt sprekend op zijn vader. Hij is altijd vrolijk en lacht en zingt de gehele dag. Hij heeft gitzwart haar en donkere ondeugende ogen en haalt voortdurend stoute streken uit, waar vader dan erg om moet lachen. "Zo'n jongen toch. 't Is een reuzentiep!", zegt vader dan tegen moeder, als Pietje weer eens iets uitgehaald heeft.


Pietje Bell Als de oude, gierige, tante Cato komt logeren, zegt Pietje haar dat ze een tang is, die over een cent valt en loopt over straat met tante's pruik op.
Op school maakt Pietje alleen maar pret. Martha is zijn onderwijzeres en heeft veel met hem te stellen.
Op Pietje's zevende verjaardag, geeft hij een circusvoorstelling, waarbij hij Martha's gouden horloge stukslaat en het huis bijna in brand steekt. De hele stad kent nu die ondeugende Pietje Bell. Op school krijgt hij nu een strenge meester. Met deze meester Ster kan Pietje goed opschieten, omdat hij goed kan leren en meester schik in hem heeft.


Martha gaat een week logeren in Den Haag bij haar vriendin, Jo Velinga. Pietje mag ook een dagje komen en hij kan het goed vinden met het jongste broertje Hansje. Samen zetten de deugnieten de hele boel op stelten. De oudste broer, Paul Velinga, moet daar erg om lachen en zorgt ervoor dat de belhamels niet al te zwaar gestraft worden.


Pietje Bell Als er een circus in de stad komt, belandt Pietje zowaar in de leeuwenkooi, waar hij gelukkig op tijd uit gered wordt. Martha en Paul Velinga verloven zich en tijdens het verlovingsfeest gaan Pietje en Hansje "zwembadje" spelen en zetten zo de hele bovenverdieping onder water, zodat het beneden in de salon regent.
 

Als er in de winter sneeuw ligt, wordt meester Ster ziek, hij krijgt longontsteking. Pietje bezoekt hem iedere dag en leest hem voor. Helaas overlijdt meester Ster en Pietje heeft voor het eerst een groot verdriet te verwerken. Met de hele klas gaat Pietje meester begraven en de kinderen zingen een ontroerend afscheidslied aan zijn graf.
De familie Bell gaat verhuizen naar de Herenstraat, waar vader een nieuwe schoenwinkel krijgt. Op oudejaarsavond draait Pietje in het nieuwe huis de gaskraan dicht, zodat de familie in het pikkedonker zit. Iedereen schrikt, behalve vader. Pietje wordt opgesloten om over zijn zonden na te denken en hij neemt zich voor zijn leven te gaan beteren.

 

 

Het huisje in de sneeuw

 

Het huisje in de sneeuw

Het huisje in de sneeuw

Geschreven door W.G. van de Hulst
Deel 5 van de serie: Voor onze Kleinen
Uitgave van G.F. Callenbach N.V. te Nijkerk
Voor het eerst uitgegeven in 1924
Illustraties van Tjeerd Bottema

Andere deeltjes uit deze serie:
Fik
Van Bob en Bep en Brammetje
"Allemaal Katjes"
Van de boze koster
Van drie domme zusjes
Bruun, de beer!
Zo'n griezelig beest
en vele anderen

 

Korte inhoud:
Het is een barre koude winter. Midden in het besneeuwde bos staat een klein huisje, waar vader, moeder, Daan, Dikkie en kleine Koosje wonen. Vader gaat 's morgens vroeg uit werken aan de spoorbaan en Daan en Dikkie gaan hem een kannetje warme koffie brengen. Ze letten goed op dat ze niet verdwalen in het bos, doch helaas, omdat ze een griezelig beest denken te zien, nemen ze een ander laantje en verdwalen hopeloos.
Ze hollen nu hard op hun klompjes. "Knoerp! knoerp!" gaan de klompjes in de sneeuw en :"Kloek-e-kloek-e-kloek!" gaat de koffie in het kannetje. Ze komen bij de spoorweg, doch vader zien ze niet. Ze schreien nu allebei, ze zijn zo bang, zo koud en zo moe...
Opeens zien ze een hondje dat ook verdwaald is. Ze nemen het mee. Dikkie draagt het hondje en Daan draagt het kannetje. Plotseling zijn ze uit het bos en zien ze een boerderij. Het hondje vliegt er op af, hier is zijn thuis. De boerin is blij dat het hondje weer terug is en geeft de jongens een kom warme melk.
Nu worden ze met de arreslee naar huis gebracht. O, wat is moeder blij, ze was zo ongerust! Daan houdt nog steeds het kannetje stijf vast met de nu koude koffie. Het wordt op de schoorsteen gezet en als ook vader thuiskomt vertellen de jongens alles en kruipen daarna veilig in hun warme bedje.

 

Fragment uit het boek:
Waar is vader nou? Ze kijken overal! Ze roepen! Ze schreeuwen. Ze klimmen tegen de hoge spoordijk op.... Ze glijden er ook weer af. Vader is nergens. Alles is wit, wit...
En de spoorweg loopt heel ver het bos door.... heel, hl ver de wereld in.
En 't is zo bang en zo stil in het bos.
En ze zijn zo alleen.... zo hl alleen.
"O, vader!.... V!.... Vder!" roept Dikkie.... "Vader, waar bn u?"
Maar vader is er niet.
Vader is nergens.
Och, die arme, rme jongens!
Ze liepen door de dikke sneeuw langs de hoge spoordijk.
Ze schreiden allebei.
En de sneeuwvlokjes dwarrelden voor hun ogen.
Ze hoorden wat!... De grond bonsde een beetje... wat ws dat?
Heel in de verte kwam iets aan, iets donkers... En 't bonsde, 't bonsde zo! En 't had een witte pluim.
De trein kwam er aan....
Hij werd al groot. Hij werd heel groot. De jongens stonden stil en ze werden ineens een beetje blij... Nu waren ze niet meer alleen.
Ze staken hun handjes in de hoogte.... En ze wilden roepen....
Och,.... de trein vlg voorbij. De rook waaide in hun ogen. Ze schreeuwden! Ze wilden meelopen... Dikkie viel. Hij lag op zijn buik diep in de sneeuw.
En daar ging de trein....
Toen waren daan en Dikkie weer hlemaal alleen.
En ze waren zo moe.
En zo koud.
En zo bang.
Arme, rme jongens!
De trein was wg... Hij was al heel ver de wereld in.
En 't was zo stil in 't bos, zo stil.... en zo bang.
De jongens gingen weer een laantje in.... Ze moesten wel.
Ze kwamen bij een beekje. Maar ze konden er niet over. Er was nergens een brug.
Het donkere water van het beekje stroomde zachtjes verder. En de sneeuwvlokjes, die in het water vielen, verdronken,.... allemaal.
Dikkie snikte:"Ik wil naar huis!.....naar moes!"
Ze dwaalden verder langs het beekje. En er stonden dikke tranen in hun bange ogen. Hun handen waren blauw van de kou....En Daan hield het kannetje eerst in zijn ne hand; en dan weer in zijn ndere hand... Dan zei het kannetje zachtjes:"Kloek!"

 

 

De spoorwegkinderen

 

Spoorweg-kinderen

Oorspronkelijke titel:The railway children

Geschreven door Edith Nesbit (1858-1924)
Naar het Engelsch door G.W. Elberts
Met platen van Hans Borrebach
Derde druk ca. 1930
Uitgever N.V. G.B. Van Goor Zonen - Den Haag
Voor het eerst verschenen in 1906

 

Korte inhoud:
Roberta(Bobbie), Peter en Phyllis, drie bevoorrechte kinderen, wonen met hun ouders in een villa in een voorstad van Londen. Op een dag krijgt vader bezoek van twee heren en dat verandert hun leventje. Vader verdwijnt en ze gaan verhuizen naar "Spoorzicht", een oud huis op het platteland, vlak bij de spoorbaan en een treinstation. Moeder moet voortaan de kost verdienen voor haar en de kinderen met het schrijven van verhaaltjes en daardoor hebben ze het nu arm. Omdat vader er niet is, is het heel verdrietig en zwaar voor moeder. De kinderen helpen haar zo goed als ze kunnen.


Ze zijn veel op het station en worden goede vrienden met de stationschef en met Perks de kruier. Iedere dag zwaaien ze naar een oude heer die in de trein voorbij raast en zij vragen hem via grote aanplakbiljetten, die ze langs de trein omhoog houden, om hulp als moeder ziek is en ze geen geld voor aansterkend voedsel hebben. De oude heer begrijpt het en 's avonds wordt er een grote mand voedsel op Spoorzicht bezorgd. Voortaan is hij nu "hun oude heer".


Op een dag vindt er een aardverschuiving plaats, waardoor de rails versperd wordt. De kinderen weten door met rode vlaggen te zwaaien de machinist van de trein te waarschuwen en voorkomen zo een groot ongeluk. Ze worden hiervoor later beloond met een gouden horloge. Vervolgens helpen ze een ontsnapte Rus zijn vrouw en kinderen terug te vinden, redden een schipperskind uit een brandende schuit, vieren de verjaardag van Perks met een heleboel cadeaus, geschonken door het gehele dorp, en redden uit de spoortunnel een jongen met een gebroken been. Hij heet Jim en ze nemen de jongen voor verpleging mee naar huis.


Inmiddels is Bobbie er achter gekomen waar hun vader is. In een oude krant leest ze dat hij wegens spionage tot 5 jaar dwangarbeid is veroordeeld. Ze besluit om de oude meneer, uit de trein om raad te vragen. Ze schrijft hem een brief om een keer aan hun station uit te stappen. Dan blijkt dat hun oude heer de grootvader van Jim is. Hij is zo dankbaar dat Jim zo goed verpleegd wordt, dat hij belooft te helpen en het is uiteindelijk aan hem te danken dat vader weer thuis komt. Zo keert het geluk weer terug in "Spoorzicht".

 

 

Mariska

 

Mariska de circusprinses

Geschreven door Sandor Kis
Tekeningen van Bert van Voorn
Uitgever N.V. Drukkerij De Spaarnestad - Haarlem
Tiende Druk, 33e tot 35e duizendtal, ca. 1960
Imprimatur: P. J. M. Heskes, pr.

Korte inhoud:
Mariska, het kleine dochtertje van een rijke boerenfamilie, woont op een boerderij in Hongarije, samen met haar hond Tell, haar paardje Stella en de oude herder Samuel. Ze is daar heel gelukkig, totdat ze op een kwade dag, als ze in het bos ligt te slapen, meegenomen wordt door een oude zigeunervrouw. Ze krijgt oude vieze kleren aan en moet uit bedelen gaan op de bruggen van Boedapest.
Op een dag wordt ze doorverkocht aan een circusdirecteur. Deze is, samen met Madame Julie, erg goed voor haar. Ze krijgt mooie kleertjes aan en gaat optreden in het circus als prinses Mariska.
Tijdens een optreden in Wenen, vinden haar ouders, die daar een korte vakantie doorbrengen haar terug. Mariska keert dan, samen met haar gelukkige ouders weer naar Hongarije terug.
Dan breekt de oorlog uit. Vader moet als officier vertrekken en het land wordt bezet door de Roemenen. Moeder wordt ziek en wordt in een inrichting opgenomen. Mariska wordt aan de zusters van een weeshuis toevertrouwd. Opnieuw slaat het noodlot toe, als Mariska door een ziekte blind wordt. Ze moet nu naar Parijs vertrekken, naar een tehuis voor blinde kindertjes. Daar hoort ze van het wonder van Lourdes en als ze van een rijke dame een wens mag doen, wenst ze dat ze met alle blinde kinderen naar Lourdes mag. Zo gebeurt het.
In de grot van Lourdes zit zij naast twee Hollandse mannen als het wonder gebeurt dat Mariska weer kan zien! De mannen, Kobus Lach en meneer Overman, zijn daar zo van onder de indruk, dat zij Mariska naar Nederland laten overkomen om verder voor haar te zorgen. Ook in Nederland is Mariska gelukkig, maar denkt toch vaak aan haar vader en moeder. Dan krijgt ze op een dag een brief van haar moeder.... en vader!
Vader en moeder besluiten nu, om met Mariska naar Zuid-Amerika te vertrekken. Met een groot schip gaan ze op weg. Onderweg moeten ze door een brand aan boord een tussenstop maken op een klein eiland. En wie ontmoet Mariska daar? De circusdirecteur met Madame Julie, die op weg zijn naar Parijs, en met hun vliegtuig op het eiland een noodlanding moesten maken.
Nu besluit de familie om mee te gaan naar Parijs, waar Mariska opnieuw als prinses in het circus gaat optreden. Ze verdient nu zoveel geld, dat ze een stuk land in Hongarije voor vader kan kopen. Wat zijn ze blij, als ze op een goeie dag weer met zijn drietjes naar hun land terugkeren en daar gelukkig worden.

 

 

De Doopkaars

 

De DoopkaarsDe Doopkaars

 

Geschreven door Moeder Everma
Pseudoniem van Sophie Kleverlaan - Grolman (1909-1984)
Verschenen in het jeugdtijdschrift voor het Katholieke gezin: De Engelbewaarder
Jaargang 63 van oktober 1951 t/m april 1952
De Engelbewaarder was een uitgave van het R.K. Jongensweeshuis - Tilburg
Heruitgegeven in 1954 door B. Gottmers Uitgeversbedrijf - Nijmegen, en in 1988 door de Schaduw - Tilburg

 

Het boek bestaat uit drie delen:
1. Josje - Zondagskind - Gelukskind
2. Hilde, Jos' ogen
3. Jos' hart vindt het licht

Korte inhoud:
 

Eerste deel: Het gezin Bartels woont in Heiloo, Vader, Moeder en twee dochtertjes Greetje en Hilde. Op een nacht wordt Hilde door vader wakker gemaakt, omdat er een broertje is geboren. Wat is het gezin blij. Het kindje wordt gedoopt en ontvangt een doopkaars.
Na enige tijd blijkt echter dat Josje, zoals het broertje genoemd wordt, blind is. Dat geeft veel verdriet in het gezin, vooral Moeder kan dit moeilijk verwerken. De kleine Hilde is dol op haar broertje en helpt zoveel ze kan. Ze poetst de kinderwagen blinkend, en dan gaan ze op een dag voor het eerst naar buiten met Josje in de kinderwagen. Het wordt een heerlijke dag in het bos. Vader vertelt dat er voor blinde kinderen in Grave (bij Nijmegen) een school is, waar zij een hoop kunnen leren.
Doopkaars Als Josje 4 jaar is en met Hilde een wandeling maakt, ontmoeten ze een kwade man, die achter jongens aanzit die appels gestolen hebben. Het is de eenzame stakkerd de Munk, die later goede vrienden wordt met Josje. Hij komt nu vaak bij Josje thuis en wordt door de kinderen Oom Albert genoemd.
Als met Kerstmis Oom Jan en Tante Bets op visite zijn en Oom Jan viool speelt, vindt Josje dit zo prachtig, dat hij de muziek wil "zien". Hij wil ook spelen, en Oom voorspelt dat Josje later vast violist gaat worden.
Na de zomervakantie gaat Hilde naar de kweekschool, zij wil onderwijzeres worden. Josje wordt door Vader en Moeder naar Grave gebracht naar de Sint Henricusstichting, waar de fraters voortaan voor hem gaan zorgen. In zijn koffertje heeft hij een lang wit pakje mee, waarin zijn doopkaars zit.
 

Tweede deel: Hilde is nu 20 jaar, Greet 17 en Jos 13. Van Oom Albert krijgt Jos de viool van zijn overleden vrouw, die een beroemd violiste was. Oom Albert zal ook Jos' muziekstudie betalen. Hilde wordt verliefd op een jongen, die niet katholiek is. Vader verbiedt haar de omgang met die jongen, hij vindt hem slap en niet deugen, want, zo zegt hij:"Twee geloven op n kussen, daar zit de duivel tussen." Hilde heeft hier groot verdriet van, doch als zij hem later met een ander meisje in de bioscoop ziet, kan Hilde er weer om lachen.
Doopkaars Greet besluit later in het klooster te gaan en voor de missie te gaan werken
Oma overlijdt, haar doopkaars brandt op, daar is het gezin erg verdrietig over, doch als ook Oom Albert door een hartverlamming komt te overlijden, is Jos ontroostbaar. Hij wil geen muziek meer maken. Oom Albert laat Jos al zijn bezittingen na, waaronder een zomerhuisje in Hoog Soeren, "het Rozenhuisje".
In de zomervakantie gaat het gezin daar vakantie houden en Hilde ontmoet daar tijdens een wandeling een blinde jongen. Het is Hans Karelse, die met zijn Moeder in het zomerhuisje naast het gezin Bartels logeert. Hans speelt prachtig piano en is muziekleraar. Hij woont met zijn Moeder in Amsterdam.
Hans en Jos spelen veel samen en zo komt Jos over zijn verdriet van de dood van Oom Albert heen. Hilde en Hans worden verliefd op elkaar en omdat Hans katholiek is en Hilde en hij cht van elkaar houden, heeft Vader hier geen bezwaar tegen.
Na de verloving vertrekt Jos naar Amsterdam om aldaar het conservatorium te gaan volgen. Hij zal bij Hans en zijn Moeder gaan inwonen. Hans hoort van de oogarts dat er een oogtransplantatie mogelijk is, waardoor hij weer zal kunnen zien. Hilda en Hans trouwen en enkele dagen na hun huwelijk zal Hans geopereerd worden.
 

Derde deel: Hilde en Hans krijgen een zoon: Peter. Hans is geopereerd en kan weer zien. Dit is niet aan Jos verteld, omdat Hilde niet weet of Jos dit aankan. Als Jos er een jaar later achterkomt dat Hilde Hans' geslaagde operatie voor hem verzwegen heeft, wil hij niets meer van Hilde en Hans weten. Hij neemt het Hilde kwalijk dat zij gezwegen heeft uit medelijden.
Doopkaars Als er een beroemd violist, vlak voor een concert, ziek wordt, mag Jos invallen. Hij speelt schitterend en krijgt een staande ovatie. Z'n hele familie is er bij aanwezig, doch na afloop wil hij weer niets van Hilde en Hans weten.
Vader wordt ziek, de dokter constateert maagkanker. Er komt nu als hulp een nieuw meisje in huis. Emmy de Wild, een beschermeling van de dokter. Tussen Emmy en Jos ontwikkelt zich een sterke vriendschap, die in liefde uitmondt.
Het laatste Sinterklaasfeest met vader zal gevierd worden en om met z'n allen bij elkaar te zijn, vraagt Emmy aan Jos om het weer bij te leggen met Hilde en Hans. Omdat Hilde haar tweede kindje verwacht, geeft Jos toe en reist naar Amsterdam, daar wordt alles weer goed. Hans en Jos besluiten nu om samen concerten te gaan geven. Hilde gaat, na de geboorte van haar tweeling, permanent in Hoog Soeren wonen met Hans' moeder.
Vader overlijdt en moeder gaat nu ook in Hoog Soeren wonen, zodat ze allemaal weer bij elkaar zullen zijn. Jos en Emmy trouwen en als Emmy een kindje verwacht, is Jos bang dat het kindje blind zal zijn. Gelukkig blijkt dit niet zo te zijn. Het kindje heeft "twee stralende ogen". Nu is Jos gelukkig, hij voelt zich een zondagskind en een gelukskind.

 

 

In de muizenwereld

 

In de Muizenwereld

Door Agatha Snellen (1862-1948) & Catharina van Rennes (1858-1940)
Met Teekeningen van L. W. R. Wenckebach, (1860-1937)
Uitgever H.J.W. Becht - Amsterdam, 1911
Voor het eerst verschenen bij uitgeverij Beijers te Utrecht in 1894

 

Bevat de volgende hoofdstukken:
1e Hoofdstuk - In de Muizenwereld
2e Hoofdstuk - De Muizenstad
3e Hoofdstuk - De Volksspelen
4e Hoofdstuk - Het Concert
5e Hoofdstuk - Het Muizengezin en wat er verder voor viel

 

Uit het voorwoord Een goede raad aan de vertelster:
BEGIN DE 'MUIZENWERELD' NIET AAN DE KINDEREN TE VERTELLEN, ALEER GE VOOR UZELVEN, HARDOP, HET GEHEELE SPROOKJE HEBT GELEZEN, EN DE PIANO-FIGUREN POTISCH, SPROOKJESACHTIG WEET TE SPELEN.
 

Z moet het zijn, wil het doel: aankweken van de muzikale fantasie en scherping van 't muzikaal geheugen bereikt worden.
 

Bij zeer jonge kinderen is het raadzaam zich telkens bij n of twee hoofdstukken van de 'Muizenwereld' te bepalen. De geheele vertelling opeens, spant hen wel wat veel in. Ze moeten naar 't vervolg verlangen!
De aanstaande vertoonsters van de Muizenwereld mogen mij deze wenken ten goede houden. Ze zijn geput uit mijn ervaring als vertelster van de Muizenwereld en alleen geschreven in het belang van mijn jeugdige vriendjes en vriendinnetjes, die ik, als tegenwicht voor l het heedendaagsche rekenen zoo graag wat pozie in hun leven gun, maar dn...... smakelijk voorgediend!

Utrecht, Voorjaar 1911
Cath. van Rennes

 

Korte inhoud:
Op een warme zomerdag, zien Jozientje en haar broertje Willy, terwijl ze in de tuin wandelen, een muisje voorbij stuiven. Ze ontdekken een muizenhol en Jozientje probeert naar binnen te kijken, wat niet lukt; ze is immers veel te groot. Als de kinderen op het gras in slaap vallen, komt een muisje ze halen om met hem mee naar zijn holletje te gaan. Jozientje en Willy slikken een wit toverballetje, zodat ze nu net zo groot als het muisje zijn. Achter het muisje aan, kruipen ze door het holletje en komen dan in een grote verlichte ruimte. Het is een echte stad, met huizen, straten en pleinen. Nu zijn ze in de muizenwereld!
In de Muizenwereld De kinderen mogen meeten aan lange tafels, samen met de andere muisjes. Ter ere van Burgemeester-Muis, die jarig is, wordt er een groot volksfeest gegeven. Ze gaan mastklimmen, er wordt een bal gehouden waarbij de muizenpolka gedanst wordt, en er wordt in een deftig gebouw een concert gegeven. Doch als Jozientje Poesje Mauw zingt en Willy heel hard "miauw" roept, rennen alle muizen van schrik de zaal uit.
Na afloop van het feest gaan de kinderen met hun muizenvriend mee naar z'n holletje. Moeder muis brengt net haar jongste naar bed en Jozientje zingt een slaapliedje voor het muizenkind. De jagers trekken er op uit, om in de huizen van de mensen op zoek naar eten te gaan. Die nacht worden ze wakker door somber klokgelui. Het is de doodsklok die luidt, vertelt moeder muis. De stoet jagers is thuisgekomen, doch een van de jagers is er niet meer bij, hij is door de poes opgegeten.
De burgemeester stelt voor de kat bellen aan te hangen, zodat ze hem voortaan zullen horen aankomen. Jozientje belooft dat zij hiervoor zal zorgen. De muizen zijn blij, nu zal er nooit meer een muisje opgegeten worden! De muizen-mars wordt gespeeld en in optocht lopen de muizen en kinderen met vlaggen en trompetten achter de muziek aan naar de uitgang van de muizenwereld. De kinderen kruipen weer in het donkere holletje en de muizen wuiven hun een vaarwel toe.
 

In de Muizenwereld

Als ze weer in de open lucht staan, klinkt er plotseling een hevige donderslag en hebben Jozientje en Willy weer hun normale grootte terug. Als de poes met haar kopje langs Jozientjes benen strijkt, ziet Jozientje plotseling dat zij de halsband met bellen om heeft. Als zij met Willy over de Muizenwereld wil praten, lacht hij haar uit. Ze heeft alles gedroomd!
En hoewel Jozientje later nog dikwijls op het grasveld ging zitten, kwam er nooit meer een muisje haar halen om mee naar zijn holletje te gaan.

 

 

Razende Roeltje

 

Razende Roeltje

 

Geschreven door Diet Kramer
Illustraties van Henk Poeder
Voor het eerst verschenen in 1931
Uitgegeven door Bosch & Keuning N.V.

 

Hendrik K. Poeder, (geboren 20-04-1897 te Assen, overleden 09-12-1958 te Kampen) kwam in 1929 met zijn gezin naar Kampen. Hij heeft in Kampen vele schilderijen, tekeningen en illustraties gemaakt. Veel van zijn werk is de gehele wereld over gegaan. Naast schilderijen en tekeningen heeft Henk Poeder ook veel kinderboeken gellustreerd. Bekende boeken zijn 'Keteltje' van Cor Bruijn, 'Ergens op de wijde wereld' van W.G. van de Hulst en 'Razende Roeltje' van Diet Kramer.

 

Korte inhoud
Een Australisch jongetje komt in Nederland bij zijn oom en tante en zijn neven Ab en Vic in huis. Ook Timo, de jongen uit Indi, woont bij hun in huis. Samen gaan ze in de stad op school en beleven allerlei avonturen. Roel moet proberen zijn driftbuien te overwinnen, terwijl Vic met jaloersheid kampt.

Wordt vervolgd door:Roeland Westwout

 

Fragment uit het boek:
"Dat je een driftkop bent, dat weet ik, maar dat je koppig bent, llijk koppig, dat wist ik niet. Een achterbakse jongen....een jongen die geheimen heeft! Je valt me tegen, Roel."
De tranen sprongen Roel in de ogen. Hij deed een stap terug naar de deur. Weggaan drfde hij niet, maar zo graag, zo rg graag zou hij naar boven hollen en het uitbrullen, ergens waar hij helemaal alleen was met zichzelf.
Hij kn het toch echt niet zeggen. Hij wist niet hoe. Het was iets wat je niet zeggen kn, immers. Hij had gedaan wat Mr. Graham hem gezegd had, hij had er geen spijt van. Ng steeds niet. Liet oom hem nu maar gaan. Straf was niet erg. Hij wou die straf wel dragen, al was het voor iets, dat hij niet gedaan had,
Driftige voetstappen gingen heen en weer de kamer door. Oom Albert keek op zijn horloge. "Ik heb je daar drie volle minuten laten staan. Heb je je bedacht?"
Er kwam geen antwoord. "Roel, het is geen vraag, het is een bevel. Als je niet gehoorzaamt, zal ik je moeten straffen, zoals ik Vic of Ab of Timo zou straffen in dit geval."
Roel stond rechter. Er was iets van trots in zijn houding. "Ja oom."
"Goed. Ga naar boven. Ik wil je niet zien, voor je uit eigen beweging naar me toekomt. Deze drie dagen niet....daarna k niet. Op de leerkamer kun je je strafwerk maken en eten. Dat blijft zo tot je je bedacht hebt. Begrepen?"
Roel knikte. Spreken kon hij niet. Het was goed zo......

 

 

Monus de man van de maan

 

Monus de man van de maan

Geschreven door A.D. Hildebrand
Bandtekening en illustraties van Rein van Looy
Uitgegeven door H. Meulenhoff - Amsterdam
Eerste druk 1952

Uitgezonden als hoorspel op de VARA-radio, zondagmiddag 17.30 uur, in de

jaren 50

 

Achter in het boek zit een Interplanetary Tour Reservation formulier, waarmee je je kunt opgeven voor een inter-planetaire reis in de ruimte. Je kunt kiezen uit een Tour naar Mars, Jupiter, Saturnus, of de Maan. Je naam en adres zullen dan in de archieven van het Hayden Planetarium van New York worden genoteerd.
Dit formulier werd uitgegeven tijdens een tentoonstelling in New York, die genaamd was: "De verovering van de ruimte".
Het Hayden Planetarium was bereid een lijst aan te leggen van alle personen, die een plaats voor een reis in de ruimte wilden reserveren en zou deze lijst overdragen aan de eerste organisatie, die reizen in de ruimte zal gaan maken. Zij, die zich alzo aanmeldden, zouden allereerst aan bod komen, om een dergelijke reis te maken, als de tijd daarvoor gekomen was.

 

Vervolg boeken:
Monus' avonturen op aarde 1952
Monus naar Mars 1953
Monus en de vliegende schotels 1953

 

Korte inhoud:
Professor Andree, hoogleraar in de ruimte-luchtvaart en zijn assistent, ingenieur Harm Peters, hebben een ruimteschip gebouwd, waarmee zij na toestemming van de regering naar de maan vliegen. Tot hun grote verbazing en schrik, blijkt de maan bewoond te zijn. Ze ontmoeten er Monus, de maanwachter, die hun al had zien aankomen en hun opwacht. De maanmensen leven in een stad, Sinopol genaamd, onder de grond en maken zelf lucht en water, zodat ze kunnen blijven leven.
Van Monus leren ze hoe kleinzielig aardemensen zijn. Ze zijn hebzuchtig, maken ruzie en praten veel te veel. Maanmensen zijn rustig en hebben geleerd om niet om stoffelijke zaken als goud en diamanten te geven. Ze spreken af, om met Monus terug te reizen naar de aarde, zodat hij de mensen op aarde kan leren, hoe ze in vrede met elkaar kunnen leven!
Plotseling landt er een tweede ruimteschip op de maan, het blijkt van Wiers, een voormalig assistent van professor Andree, te zijn. Hij heeft de bouwtekeningen van het ruimtevaartuig gestolen en heeft het precies zo nagemaakt. Hij en zijn bemanning komen om goud en diamanten van de maan te roven. Monus neemt de mannen mee en ze worden in Sinopol gevangen gezet.
Monus gaat nu mee terug naar de aarde. Hij heeft zijn paralitum bij zich. Dit is volgens Monus een ouderwets wapen, waarmee je personen gedurende 3 minuten kunt laten verstijven. Hoe nuttig dit is, blijkt als ze op aarde door een agent worden aangehouden en bijna een boete krijgen voor te hard rijden. Monus logeert bij Harms moeder thuis, die al snel aan de maanbewoner gewend raakt. Intussen brengen Harm en professor Andree verslag uit aan de regering. De ministers willen niet geloven dat er maanmensen bestaan. Ze geloven het pas, als ze Monus ook gezien hebben. Monus en de regering besluiten tot samenwerking van de aarde- en maanbewoners om zo de mensen te leren hoe ze verstandig en vredig kunnen leven.

 

 

De oude veldwachter

 

De oude Veldwachter

Geschreven door J. Stamperius
Gellustreerd door J. G. Kesler, (1873-1938)
Uitgever Gebr. Kluitman - Alkmaar
Vijfde druk, 1928
Voor het eerst verschenen in 1897

 

Korte inhoud:
Jacob van den bakker vertelt uit zijn jeugd:
Samen met zijn boezemvrienden Jacob (van den schipper) en Bert (van den meester), gaat Jacob kastanjes knuppelen na schooltijd. Hierbij worden ze gesnapt door veldwachter Kees, waarmee de jongens voortdurend overhoop liggen. Jacob klimt hoog de boom in doch laat zijn schoenen dom genoeg onder aan de boom staan. Veldwachter Kees neemt nu zijn schoenen mee naar huis. s' Nachts sluipen de drie vrienden stiekem zijn woning binnen en halen Jacob's schoenen onder het bed van de veldwachter vandaan.
Hein Balder, een jongen uit een armoedig gezin, waarvan de moeder is overleden en de vader aan sterke drank verslaafd is, wint met knikkeren van Jacob. Deze kan niet tegen zijn verlies en begint te vechten. Hij schreeuwt Hein toe: "Jouw vader is een dronkenlap!" Hiervan krijgt hij later spijt, omdat Hein toch een goede vriend is. De volgende morgen is de perenboom in Jacobs tuin geplunderd. Als Jacob op school van Hein een peer aangeboden krijgt om de ruzie weer goed te maken, herkent Jacob de peer. Het is een peer van zijn eigen perenboom. Heel hard roept hij nu "Dief!!" door de klas. Hein ligt te snikken op zijn bank en de meester haalt de veldwachter erbij. Deze is er al snel achter dat de vader van Hein de perenboom van Jacob geplunderd moet hebben en ze gaan met Hein mee naar huis. Vader is weer dronken en als Kees de veldwachter hem mee naar de burgemeester wil nemen, zwaait hij plotseling met een mes. Hein springt er tussen en wordt neergestoken. Nu heeft zijn vader berouw, hij wordt opgesloten in de gevangenis en na enkele weken komt hij vrij en vertrekt voor goed naar Amerika. Voortaan maakt hij maandelijks een som geld over voor Hein, die nu in een ordelijk gezin wordt opgenomen.
De oude Veldwachter In de winter schaatsen de vrienden op de vaart. Jacob van den schipper heeft zijn jas uitgedaan en op een paal gehangen, als de sluizen worden opengezet, wordt het gevaarlijk en zakt Jacob door het ijs, wanneer hij nog snel zijn jas van de paal wil halen. Veldwachter Kees redt hem gelukkig. Het gaat nu dooien en weken lang blijft de jas midden in het water aan de paal hangen, totdat Jacobs vader met een boot de jas uiteindelijk van de paal haalt.
Kees de veldwachter viert zijn 40-jarig jubileum en er is groot feest in het dorp. Er komt een optocht met een muziekcorps, een mooie erepoort voor zijn huis en een zangkoor zingt voor hem en zijn vrouw Saartje. De jongens geven ook een cadeau: een mooie pijp.
Kees nodigt Jacob uit om over 10 jaar zijn 50-jarig jubleum te komen vieren, doch helaas mocht hij dat niet meer beleven. Kort hiervoor krijgt Jacob het bericht dat Kees is overleden.

 

 

Geheim verzet

 

Geheim Verzet

Geschreven door Alex Tersoest,
pseudoniem van Hans K. Pennarts, (1903-1976)
Met illustraties van Piet Broos
N.V. Boekdrukkerij Helmond - Helmond, 1946

Behorend tot de zgn. "Kwartjesboeken", uitgegeven vanaf 1932

 

Korte inhoud:
Jaap Mesritz fietst met zijn vriend Arnold Versteven naar huis, als hij tijdens een controle van zijn persoonsbewijs wordt opgepikt. Hij is immers Joods en samen met zijn ouders en een heleboel andere Joden, wordt hij naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam gebracht. Daar komt hij in contact met meneer van de Velde, die een ontsnappingsplan heeft. Eerst helpt hij Jaaps ouders te ontvluchten en daarna vlucht hij, samen met Jaap, over het dak van het gebouw. Eenmaal vrij, zet van de Velde Jaap op de trein, om hem te laten terug keren naar zijn stadje en zijn vrienden. De ouders van Jaap zijn intussen naar vrienden in Amsterdam gegaan, om daar onder te duiken.


Geheim Verzet Als Jaap na een spannende reis weer in zijn stad terug is, zijn zijn vrienden van de geheime club N. V. (Nederland Vrij) erg blij. Jaap duikt voorlopig onder bij Ad Hezeman, doch na een paar dagen moet hij ook daar vluchten. Frits en Ad hebben namelijk koffers met kleren en tafelzilver uit het huis van Jaap gehaald en de commissaris verdenkt de jongens hiervan, zodat Jaap niet meer veilig bij Ad zit.
Jaap komt nu bij Klaas Beertens in huis. Klaas is lid van Vrij Nederland en zorgt voor een goed onderduikadres. In de kelder van het afgelegen huis, zit een groep onderduikers. De leiding heeft "de Kat", een oud rechercheur en voor Jaap wordt daar een plaats gevonden. Als er op een dag een huiszoeking gedaan wordt, weten allen gelukkig op tijd te ontkomen. De Kat en Jaap vluchten 's nachts in een roeiboot over de rivier.
Intussen heeft Fred een ontmoeting met een man, die het wachtwoord van zijn vader, "Humanitas", kent. Het is zijn vaders vriend Hoornik, die Fred verzoekt hem de gele envelop, die Fred nog steeds in zijn bezit heeft, te overhandigen en vraagt hem ook om inlichtingen over versterkingen van de Duitsers te verzamelen.
Jaap duikt weer bij Klaas onder. Niemand mag dit nu weten, ook de vriendenclub niet. Op school doen de jongens eind-examen en zij behalen allen hun einddiploma H.B.S. Fred vraagt Klaas hem te helpen met het verzamelen van gegevens voor Hoornik. Nu vertelt Klaas ook, dat Jaap bij hem thuis ondergedoken zit.
Als Hoornik de gegevens komt halen, brengt hij Fred het verzoek van zijn vader over, om met hem mee terug naar Engeland te gaan. Fred vraagt of ook Jaap mee kan en krijgt hier toestemming voor. Na een hartroerend afscheid van zijn oom, tante en nicht Truus, vertrekken Fred, Jaap en Hoornik midden in de nacht. Ze worden in een Wehrmachtauto, waarin "goede" Duitsers, naar de kust gebracht. In een roeiboot varen ze de zee op en worden door een Engelse onderzeeboot, die daar ligt te wachten, aan boord genomen. Na een spannende overtocht komen ze in Engeland aan, waar Fred uiteindelijk, na lange jaren, zijn vader weer ontmoet.

 

 

De geheimzinnige vliegmachine

 

 De geheimzinnige vliegmachine

Door J. Nowee, (1901-1958)
Illustraties van Frans Meyer
Uitgave N.V. Drukkerij De Spaarnestad - Haarlem, 1928
Met goedkeuring van den Keurraad voor Roomsche Jeugdlectuur

 

Korte inhoud:
Er komt een nieuwe jongen op school. Het is Jan Beukers en hij vertelt aan Wim, die hem tijdens een gevecht geholpen heeft, dat zijn vader uitvinder is en bezig is een soort vliegmachine uit te vinden, die recht omhoog gaat en dus geen landingsbaan nodig heeft. Wim vindt dit erg interessant en samen met Jan besluiten ze deze uitvinding eens te gaan bekijken.  De geheimzinnige vliegmachine Op een avond gaan ze samen de kelder in en ontdekken een vreemd soort toestel zonder vleugels, doch als Jan aan een hefboom trekt, draaien de vleugels die boven op de vliegmachine liggen opzij. Plotseling worden de jongens gestoord doordat Jans vader met nog een paar mannen binnenkomt. Ze verstoppen zich in een kast in het toestel. Tot hun grote schrik stijgt het toestel recht omhoog en vliegt door een luik naar buiten. Nu zijn ze snel ontdekt en Jans vader, de kapitein, is erg boos. Omdat ze niet terug kunnen keren, moeten de vrienden nu wel mee vliegen. Ze maken kennis met de andere mannen Bram, Frans en Jim, een Engelsman.
Onderweg dalen ze soms op zee en verandert de vliegmachine, die de "Zeemeeuw heet", in een boot om proviand op te nemen van een jacht. Dat verklaart de naam de "Zeemeeuw", omdat ze immers kunnen vliegen en varen. Als ze door vijandelijke Amerikaanse vliegtuigen worden beschoten, vertelt de kapitein het geheime doel van hun missie. Op het eiland Zambesia, voor de oost-kust van Afrika ligt een verborgen schat, die ze gaan zoeken. De man die recht op de schat heeft, bevindt zich op het jacht waar ze steeds naar toe vliegen. Het is de Hollandse graaf van Sonnenberge, die de schat van zijn voorvader gerfd heeft. Ten tijde van de Oostindische Compagnie, had deze schipbreuk geleden op Zambesia en had de schat, bestaande uit kostbare edelstenen, daar verborgen, voordat hij door inboorlingen werd vermoord.
Omdat de Amerikaanse vliegtuigen het jacht blijven beschieten, daalt de Zeemeeuw en komt Graaf van Sonnenberge nu aan boord. Op Zambesia aangekomen worden ze met pijlen beschoten door de wilden. Er volgt een vuurgevecht en rondom de Zeemeeuw wordt een draad gespannen, die onder stroom gezet wordt, zodat de wilden, als ze de draad aanraken, aan tovenarij denken. Er worden nog vele gevechten gevoerd, waarin de kapitein en de graaf gewond raken. Bram is achtergebleven in het bos om hun aftocht te dekken en komt niet meer terug. Na een paar dagen gaan Jan en Wim naar hem op zoek. Ze vinden hem bij de ingang van een grot. Hij heeft zijn been gebroken en heeft hoge koorts. Hij kan nog net vertellen dat hij in de grot de schat gevonden heeft, voordat hij sterft. De laatste rustplaats van Bram wordt de plek waar hij zelf de schat had opgedolven!
Dan landen de Amerikanen en opnieuw wordt er hevig gevochten, waarbij de Zeemeeuw in brand wordt gestoken en niet meer te redden is. Gelukkig was alle bagage al uitgeladen en bevond zich niemand aan boord. Na dagen van honger en dorst komt er eindelijk redding voor de mannen van de Zeemeeuw. Het jacht van de graaf landt op het strand en brengt allen, ook de schat, weer veilig terug naar huis.

 

 

De geheimzinnige kluizenaar

 

De geheimzinnige Kluizenaar

Geschreven door Peter van Campen
Tekeningen van Klaas Pijlman
Uitgever G. W. Breughel - Amsterdam, 1947

 

Korte inhoud:
Kort voor de 2e Wereld Oorlog worden er op de hei bij het dorp Zandwoude militaire oefeningen gehouden. De 3 HBS-vrienden, Cor, Dick en Leo hebben hier veel belangstelling voor, evenals voor een geheimzinnige kluizenaar, die zich in de bossen verbergt. De landloper Grijnsen en malle Juuk, een rondtrekkende venter, zijn bekenden van de kluizenaar. Ook bakker Schrammenga heeft contact met de kluizenaar, als deze bij hem in de winkel brood komt kopen. De knecht van de bakker, Wim, is een broer van Cor. Hij bouwde een ingenieus radiotoestel, waarbij de radiolampen vervangen werden door aparaatjes die veel goedkoper en eenvoudiger waren. Als Wim het toestel demonstreert aan de 3 vrienden, horen ze een geheime zender, die vlak in de buurt moet zijn. Ze horen: "..... zal plaatsvinden te Zandwoude, donderdag aanstaande......"
De geheimzinnige Kluizenaar Wanneer er tekeningen uit de legertenten worden gestolen, er een vuurgevecht plaatsvindt, waarbij Grijnsen bloedend in de hei blijft liggen, Wims radiotoestel gestolen wordt, waarbij bakker Schrammenga en zijn russische vriend Sternikof een verdachte rol spelen en er 's nachts tijdens de oefeningen een geheimzinnig vliegtuig in de zoeklichten wordt gevangen, leggen de vrienden een verband met het geheimzinnige radiobericht. Voor het eerst denken ze aan "spionage!"
Als Cor en Leo tijdens een onweer in een schaapskooi willen schuilen, blijkt dat de Rus Sternikof en een man, genaamd "Wakels", daar al zijn. Wakels vertelt de jongens dat zij geheimagenten zijn en dat het van het grootste belang is dat de jongens over hun zullen zwijgen. Toch besluiten de vrienden, die het niet vertrouwen, het aan Dick en Wim te vertellen en gaan ze met z'n drien op een middag opnieuw naar de hut om, liggend in een greppel, de mannen af te luisteren. Zo horen ze dat Sternikof en Wakels doorhebben dat ze verdacht worden en dat ze plannen maken om te verdwijnen. Malle Juuk is ook ter plaatse en hij zorgt ervoor dat de drie vrienden gesnapt worden en in de hut worden opgesloten.
Als Wim ongerust is omdat Cor niet thuiskomt voor het eten en hij eens bij de schaapskooi komt kijken, ziet hij door een kier zijn gestolen radiotoestel staan. Een man, gekleed in een vliegeruitrusting, is juist aan het uitzenden. Snel waarschuwt Wim de politieman Verspuur, die ook in de buurt is. Plotseling cirkelt er een vliegtuig boven hen, dat snel lager komt en landt bij de schaapskooi. Mannen in leren jassen sjouwen bagage naar binnen en klimmen in het toestel. Na een gevecht met Wakels, die ontsnapt en verdwijnt in het vliegtuig, worden de geknevelde vrienden bevrijd. Het vliegtuig stijgt op, doch plotseling klinkt er mitrailleurvuur en komen er militairen op motorfietsen aanracen. Het vliegtuig stort neer en parachutisten dalen neer. Het zijn Wakels, Schrammenga en Sternikof, die door de militairen gevangen worden genomen.
Nu is alles snel voorbij en wordt er duidelijk dat Wakels en de kluizenaar n en dezelfde persoon zijn. Bij de burgemeester thuis wordt er nagepraat en komt er aan het licht dat Wakels een lang gezocht misdadiger is, die spionage bedreef voor de meestbiedende regeringen. De jongens krijgen, als dank voor hun hulp, een boek en de volgende dag verschijnt er een artikel over de zaak in de krant, met een foto van de vrienden erbij.

 

 

Dolly Durft wel

 

Dolly durft wel

Geschreven door J. H. Brinkgreve-Entrop, (1881-1949)
Gellustreerd door Nans van Leeuwen, (1900-1995)
Uitgever Gebr. Kluitman - Alkmaar, 1946

 

Korte inhoud:
Dagelijkse belevenissen, thuis en op school, van de 11 jarige Dolly tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het gezin bestaat verder uit haar vader en moeder, haar oudste broer Wim, die in Duitsland tewerkgesteld wordt, haar broers Hein en Joost en Grada het dienstmeisje. Oma woont in de Betuwe en komt dikwijls op bezoek. Dan draagt ze haar smokkelvest, waardoor ze heel dik lijkt. In het vest zijn allerlei heerlijkheden verborgen voor het gezin, die in de stad al lang niet meer te krijgen zijn, zoals kersen, boter, kaas en tarwemeel.
Als haar vader gaat staken en later hierdoor ontslagen wordt, gaat het gezin kamers verhuren om aan inkomsten te komen. Er komt een gezin te wonen, die hun huis tijdens een bombardement zijn kwijtgeraakt. Er is een dochtertje van Dolly's leeftijd bij, Roelie genaamd. Dolly en Roelie worden dikke vriendinnen en Dolly beschouwt haar voortaan als haar zusje.
Het noodlot slaat toe als ook vader tewerkgesteld wordt in Duitsland. Dolly is erg verdrietig en mist hem erg. Het gezin is dan ook dolgelukkig als ze bericht krijgen van een boer uit de Achterhoek, dat vader daar ondergedoken is. Hij is, op weg naar Duitsland, gevlucht. Als ook Wim nog thuiskomt, omdat hij afgekeurd is, is de vreugde groot. Vooral als ook vader later opeens weer voor de deur staat. Nu is het gezin weer compleet. En Dolly is weer gelukkig.

 

 

Stien en haar buurtjes

 

Stien en haar Buurtjes

Door Dien Brinkgreve, (1883-1938)
(schrijfster van Tante Nel en haar pleegkind e.a.)
Platen van Sijtje Aafjes, (1893-1972)
Tweede druk, 1931
Uitgever G.B. van Goor Zonen - Den Haag
Boek uit De Nieuwe Serie No. III
Leeftijd (8-10 jaar)
Voor het eerst verschenen in 1928

 

Korte inhoud:
Even buiten het dorp staan twee kleine huisjes onder n dak. In 't eene woont Krelis Dekker met zijn vrouw Stien, zijn zoon Piet van 12 jaar, zijn dochter Stientje van 9 jaar en de kleine Krelis van 6 jaar. Op een dag komen er nieuwe buren naast hun wonen. Juffrouw ten Berge, met haar oudste zoon Joop en haar 2 dochtertjes Klaartje van 9 jaar en Kitty van 8 jaar. Zij komen uit de grote stad en vooral Klaartje kan maar moeilijk wennen. Stientje had zich zo op een vriendinnetje verheugd, doch Klaartje kijkt op haar neer. Zij draagt jurkjes van soepele stof, heeft haar krullen los met een grote strik erin en is echt een ijdeltuitje. Stientje daarentegen draagt stijve katoenen kleren en heeft haar haar in twee vlechtjes gedraaid. Omdat Stientje haar moeder veel helpt, ook in de moestuin, zijn haar handjes ruw en soms niet schoon. Klaartje heeft lelieblanke handjes en wil Stientje, die boerentrien, geen hand geven. Met Kitty kan Stientje het wel meteen goed vinden, doch zij is een bleekneusje en moet veel rusten.
Stien en haar Buurtjes Op school wil Klaartje niet met de andere kinderen meespelen, zij voelt zich er niet thuis. Als zij zich op een dag ernstig aan haar knie blesseert, vindt Stientje haar en draagt buurman-vader haar naar huis. Voor het eerst is Klaartje de buren dankbaar, vooral ook als Stientje haar dagelijks komt bezoeken en spelletjes met haar speelt.
Dan wordt er op school een wedstrijd uitgeschreven, waarin prijzen te verdienen zijn voor het beste, het vlijtigste of voor het netste kind. Meneer Blijheid, een rijke oude man, geeft hiervoor ieder jaar geld aan de meester, die er de prijzen voor koopt. Als Klaartje haar werk laat vallen en er een zwarte veeg opkomt, is ze bang geen prijs te zullen winnen en snel wisselt ze haar werk om met dat van Stientje, door haar naam er op te zetten. Haar geweten speelt haar echter parten en onder tranen biecht zij haar daad op aan haar moeder. Moeder gaat met haar naar school om het meester te vertellen en gelukkig is hij niet boos en heeft alleen maar medelijden met Klaartje omdat ze het zichzelf zo moeilijk maakt. Als de prijsuitreiking plaatsvindt, krijgt zowel Stientje als Klaartje een mooie prijs: Een prachtig boek. Wat zijn ze nu blij en ze dansen in de kring rondom meneer Blijheid om hem te bedanken.
Stientje en Klaartje worden helemaal dikke vriendinnen, wanneer Kitty voor haar gezondheid, samen met haar moeder, mee mag met meneer Blijheid om de wintermaanden in Zuid-Frankrijk door te brengen om weer wat kleur op haar bleke wangen te krijgen. Klaartje en Joop komen dan zolang in het buurhuis wonen en hebben het er heel gezellig. Klaartje voelt zich er helemaal thuis en als Kitty weer genezen thuiskomt stappen de buurkinderen weer dagelijks samen naar school.

 

 

 

Juffertje Korenbloem

 

Juffertje Korenbloem

Geschreven door Freddy Hagers,
(pseudoniem van Frederik August Betlem, 1905-1977)
Gellustreerd door H. Giesen
Een boek voor meisjes van 8 - 10 jaar
Zonnebloem Serie
Uitgeverij Kluitman - Alkmaar, 1955

Josientje heeft 2 grote blauwe ogen en daarom noemt de meester op school haar Juffertje Korenbloem.
Josientje wordt ziek, zo erg dat een langdurig verblijf in een sanatorium noodzakelijk wordt.
Gelukkig is het daar ook best gezellig en krijgt ze er veel vriendinnetjes. Toch duurt het voor haar erg lang, voordat zij weer naar huis mag. Maar als het dan zover is, wordt er natuurlijk feest gevierd!

 

Fragment uit het boek:
Aan alle bedden komt er beweging. Leonientjes moeder alleen maakt nog geen aanstalten om te vertrekken. Zij mag wat langer blijven, ze komt ook van z ver. En bovendien komt ze niet iedere week. Nee, Josientje is echt niet jaloers hoor, alleen..... Tja, daar staan vader en moeder dan alweer, moeder heeft haar handschoenen al aan.
Juffertje Korenbloem "Josineke," zegt vader, "tot zondag, h. Dat is maar drie daagjes. Lief zijn voor zuster en gehoorzaam. Dag meiske...."
O, die afschuwelijke tranen, moet dat iedere keer zo gaan? Dan wil Josientje helemaal geen bezoek meer hebben. Tenminste.... och, malligheid natuurlijk, alleen het afscheid moest er niet bij horen.
Moeder bukt zich.
"Dag vrouwke, flink zijn h? Toe nu, het is net als vader zegt: maar drie daagjes. Geef mams maar een dikke pakkerd, zo."
Josientje is flink. Ze bijt haar tanden in haar onderlip en zwaait, zwaait, terwijl ze samen naar de deur lopen. Maar voor haar ogen is een donker floers en ze ziet wel twee, drie vaders en moeders, terwijl een dikke druppel alweer bungelt aan het puntje van haar neus. Met de rug van haar hand boent ze die weg.
Ziezo, en nu is het afgelopen. Ze wil niet meer huilen, daar. Voor moeder, voor vader is het immers even erg. Nu moeten ze samen terug in die akelige bus, helemaal naar Amsterdam en onderweg praten ze natuurlijk aan n stuk over Josientje. Josientje voor, Josientje na....
Uit het bed naast haar hangt Ankie. Ook haar ogen glanzen een beetje.
"Wat heb jij gekregen?" vraagt ze.
"Sinaasappelen," wijst Josientje, "en.... en pinda's, en snoepjes."
"Wat een boel," bewondert Ankie. "Ik heb chocolaatjes, wil je er n?"
"Mag dat?"
"O ja, we delen altijd alles samen."
Daar krijgt Josientje een kleur van, want aan delen heeft ze eerlijk gezegd niet gedacht....

 

 

De sneeuwvlokjes

 

De sneeuwvlokjes

Geschreven door Annie de Man
Illustraties van Nans van Leeuwen (1900-1995)
Uitgegeven door Gebr. Kluitman-Alkmaar, 1953
Behorend tot de Zonnebloemreeks

 

Fragment uit het boek:
Daar kwam Rosalientje's vader binnen. In zijn hand droeg hij de mand met geschenkjes. Deze werd nu op de tafel voor de vriendinnetjes neergezet.
De sneeuwvlokjes "Wie mag het eerst kiezen, Paps?", vroeg Rosalientje. "Dat mag moeder zeggen, besloot Paps.
"Mirrie", koos moeder, "daarna Jannie, vervolgens Sylvia en Rosalientje tot slot."
Daar zat Mirrie nu. Wat moest ze nemen? Het ene was nog aardiger dan het andere. Het waren echt van die leuke snuisterijtjes voor meisjes.
Eerst nam ze het lichtblauwe waaiertje eens op, beschilderd met rose roosjes. Zou ze dat nemen? Of dat leuke doosje met die helgekleurde steentjes. Wacht, daar zag ze nog een doosje. Het was van wit karton, met een ouderwets plaatje op het deksel. Het stelde twee meisjes voor, in lange wijde jurken. Grappig stond dat. Ze maakte het eens open en.....
"O, wat beeldig!" riep ze verrast, want op blauw pluche zag ze een paar oorbelletjes liggen. Ze waren van zilver met kleine schittersteentjes.
"Die neem ik", besloot ze toen.
 

 

Goud Elsje

 

Goud-Elsje

Geschreven door M. de Lange - Praamsma, (1906-1990)
Bandomslag en illustraties van Rie Reinderhoff
Uitgave van G.F. Callenbach N.V. - Nijkerk 1946

 

Korte inhoud:
Elsje Berkout woont met haar vader, moeder, broer Joop en zusjes Nel en Rietje, in een klein kwekershuisje genaamd "Ons Nestje". Doordat de verdiensten van vader teruglopen, moet Elsje als oudste dochter de H.B.S. verlaten en een baan gaan zoeken. Haar grote vriend Taco Schaafsma, zoon van de dokter en wonend op het naastgelegen "Blier Herne", helpt haar hier bij.
Elsjes vriendinnetje Poeleke is een geadopteerd Indo meisje. Zij blijft zitten op school en dat wordt haar door haar stiefouders erg kwalijk genomen. Vooral haar stiefmoeder kan niet met Poeleke opschieten. Het gezin Berkout ontfermt zich over Poeleke en als Elsje de stiefmoeder eens hard de waarheid verteld, komt zij tot inkeer en wordt het ook voor Poeleke nog goed.
De familie Berkhout gaat om uit de zorgen te geraken kamers verhuren aan Mevr. van der Griend en haar dochtertje Lotty. Deze is erg zwak en ziekelijk en moet veel rusten. Ze wordt een lief vriendinnetje voor Elsje.
Als moeder na een blindedarmontsteking moet rusten, neemt Elsje de taak van huisvrouw op zich, en zorgt als "moedertje Els" goed voor het gezin. Uiteindelijk als moeder weer thuiskomt en Taco een baan voor Elsje gezocht heeft, komt alles in het gezin Berkhout weer goed.

 

 

Spaghetti van Menetti

 

Spaghetti van Menetti

Het verhaal is geschreven door Kees Leibbrandt, (1932-1965)
en getekend door Carl Hollander, (1934-1995)
Een boek uit de A.P.-Jeugdserie
Uitgever N.V. De Arbeiderspers - Amsterdam - 1964

Voor kinderen van 6 jaar en ouder

 

Korte inhoud:
Boven op een berg ligt het dorpje Spriet. Alles in Spriet is dun. De huizen, de bomen, de lantaarnpalen en ook de mensen. In de dunne huizen zitten hele smalle deurtjes en aan de bomen groeien alleen maar dunne takjes.
Meneer Menetti is verbaasd als hij er komt. "Die dunne mensen zijn vast niet gezond, ze lijken wel aangeklede bezemstelen," denkt hij.
De dunne mensen vinden Menetti maar een dikzak en roepen hem na op straat. Wanneer hij honger krijgt en wat wil eten, past hij niet bij de bakker door het smalle deurtje. De Sprieten lachen hem uit en Menetti moet op straat blijven slapen, omdat hij ook niet door de deur van het hotel past.


Spaghetti van Menetti Hij moet nu geld gaan verdienen en krijgt een goed idee. Dunne mensen eten dunne dingen en dat is ..... spaghetti! Dat smaakt heerlijk. Lange, dunne draden voor lange, dunne mensen. Mooier kan het niet!
En zo bouwt hij een tent midden op het plein, zet er een fornuis in en gaat spaghetti verkopen. Warme spaghetti in een puntzak! Op de heerlijke geur komen spoedig de mensen af. En weldra staat iedereen te smullen van de spaghetti van Menetti! "Eet er maar veel van, misschien gaan jullie er dan wat beter uit zien, magere Sprieten!" roept Menetti. De mensen vinden het zo lekker, dat ze er niet meer af kunnen blijven en eten de hele dag door.


Doch na een paar dagen gebeurt het. De Sprieten worden te dik! Ze barsten uit hun kleren en kunnen niet meer door de smalle deurtjes hun huizen binnen. Zo moeten ze 's nachts in de regen buiten blijven.
Dit kan zo niet langer. De burgemeester verbiedt nu het eten van spaghetti en de dokter zegt dat iedereen gymnastiek moet gaan doen om te vermageren. Zo gebeurt het. Iedereen gaat kopje duikelen, hardlopen, bokspringen en kniebuigingen maken. Ponden lichter moeten ze worden!

 


Spaghetti van Menetti

Menetti verkoopt nu geen spaghetti meer, de Sprieten zijn boos op hem, omdat hij hun met zijn dunne eten dik heeft gemaakt en ze jagen hem weg, het bos in. Menetti is bedroefd en gaat als het donker wordt in een hut liggen slapen.


Tien dagen later zijn de Sprieten weer dun en kunnen hun huizen weer binnen. Als de burgemeester een boswandeling maakt, ziet hij meneer Menetti, die in de hut ligt. Hij is ziek en erg mager geworden. De burgemeester heeft medelijden met hem en wil hem helpen. Met de vijf knapste Sprieten bedenkt hij een plan. Menetti mag weer in de stad terugkomen en krijgt een winkeltje, waar iedere inwoner van de stad, per dag vijf draadjes spaghetti mag kopen. Niet meer, anders worden ze weer te dik. Menetti wordt met een koets opgehaald en in de stad teruggebracht. Wat een feest! Overal hangen vlaggen en wimpels en de Sprieten dansen in de straten.
"Ja, we worden weer dikke vrienden," zegt Menetti tegen de burgemeester. "Nee, Menetti, dt niet. Wij zijn gn dikke vrienden. Wij zijn magere vrienden en dat moet zo blijven!"


En zo staat er nu tussen de dunne huizen van Spriet, een dik winkeltje, waar Menetti iedere dag aan iedere Spriet vijf heerlijke, lange draden spaghetti verkoopt. Samen leven zij zo nog lang, dun en lekker!

 

 

Met dank aan de site:

oude jeugdboeken

Hier zijn nog veel meer boeken te vinden van voor 1970