Kleding 1900 - 1909: Jugendstil

De Jugendstil was een reactie op het eclecticisme van de 19de eeuw. Deze stijl met vloeiende lijnen en gestileerde bloemen werd na 1900 toegepast op meubels, vazen, sieraden, stoffen en affiches. Niet zozeer in de architectuur, hoewel ook daar een zoeken naar oorspronkelijkheid leefde. De Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright bijvoorbeeld gaf vorm aan een nieuwe gedachte waarin de gevel van een bouwwerk minder belangrijk werd geacht dan het inwendige. Iets dergelijks zien we in de ontwikkeling van het kostuum. Na een eeuw van kostuums met een fraaie buitenkant over een ongemakkelijke binnenkant (crinoline, korsetten), zou de vrouwenkleding in de 20ste eeuw steeds meer rekening gaan houden met het comfort en de persoonlijkheid van de draagster. Een begin hiervan werd gemaakt met de reformkleding

(afb. 1)

 

 © Centraal Museum Utrecht

 

(afb. 1) Reformjapon, 1912, licht zeegroene ripszijde, gegarneerd met macramé van vissersgaren en kraaltjes

 

© Centraal Museum Utrecht


De kleding van de vrouw was een weerspiegeling van de periode die enerzijds luxueus was en anderzijds haar geëmancipeerde suffragettes ('feministen' uit begin vorige eeuw, met name strijdend voor het vrouwelijk kiesrecht) in reformkleding heeft gekend. De reformjapon werd spottend 'hobbezakjurk' genoemd, want hij was recht van snit en werd vaak zonder korset gedragen. De enige garnering was opgestikt band in slingermotieven. Een groot contrast hiermee vormden de luxueuze namiddagjaponnen in pasteltinten met veel kant en elegante tailleurs in de S-lijn. Deze lijn werd verkregen door het gezondheidskorset of droit- devant. Het was even weinig gezond als de vroegere korsetten; het maakte de buik plat, achterwerk en boezem staken uit.

Een tussenvorm tussen de S-lijn japon en de reformjurk was de zogenaamde prinsessejapon.
In deze tijd ook veel mantelkostuums en blouses met rokken; de blouses zeer fraai van zijde met kantapplicaties.
 

De mantel: vooral driekwartmantels met ruime mouwen (afb. 5). Ook wel pelerinemanteltjes.
De onderkleding: hemd en onderbroek of combination, droit- devant korset. Voor jonge meisjes het zg. schoolkorset.

 

 © Centraal Museum Utrecht

 

Afb. 5, avondmantel, ca. 1903, crème ripszijde, garnering van crème machinale kant (geïnspireerd op Venise à la rose), zwart passement (geïnspireerd op Venise au lacet), blauw zijden fluweel, crème geknoopte zijden franje en zijden overtrokken kralen

 

© Centraal Museum Utrecht

 

 
Het haar: opgestoken haar, bol rondom het hoofd, chignon op de kruin. In 1906 de eerste permanent wave.

 
De hoed: platte hoed met veel kunstbloemen. Matelot. Ook kinderen droegen buitenshuis altijd iets op het hoofd, jongens een pet, meisjes een hoed.
 

De accessoires: paraplu, parasol (afb. 2), face à main, reticule, handschoenen, kam van schildpad, kragen en shawls van bont, waaiers van veren boord. In de hals een guimpe met hoge boord.

Jugendstilsieraden (afb. 3), in zilver - en email en vensteremail.

 

De schoenen: elegante instapschoenen met strikjes. Knooplaarsjes onder voetvrije sportrokken.
 

 

De kleding van de man had als kleine verandering dat het costume-veston, het gewone pak voor overdag, wat meer zakken met zakkleppen vertoonde.


De mantel: de rechte overjas was iets korter dan vroeger en werd vaker gedragen dan de pardessus. Warme bontjassen voor autorijdende mannen.


De sportkleding: steeds meer speciale kleding voor bepaalde sporten. Bijvoorbeeld: voor tennis een lange lichte flannel broek in een streepdessin, gedragen met wit hemd met slappe boord en witte pet met grote klep. Roeien, hardlopen en voetballen werd gedaan in kniebroek en flanellen hemd. Accessoires bij het sportieve pak waren strohoed en felgekleurde wollen das.
 

Het haar: tamelijk kort. Opvallend grote snorren.
 

De hoed: voor overdag vooral de bolhoed en de Homburghoed.
 

De schoenen: voor 's zomers tweekleurige molières (bruin met wit of zwart met wit). Minder knooplaarzen, meer veterschoenen.

 

 

 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 2, parasol, ca. 1900, crème zijde, notenhout, lengte 94,5 cm, diameter scherm 73 cm

© Centraal Museum Utrecht

 

 

 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 3, hanger met ketting, ca. 1905, goud, email, opaal, parels hanger: hoogte 6,5 cm, breedte 4 cm; lengte ketting 47 cm

© Centraal Museum Utrecht

 

 

 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 4, reistas, ca. 1900, zwart leer, verchroomd en gelakt ijzer, hoogte 15,8 cm, breedte 31,4 cm

© Centraal Museum Utrecht

 


 

Kleding 1909 - 1914: Poiret

De opvoering van Rimski-Korssakovs Sheherazade door het Russische ballet in Parijs, heeft een onmiskenbare invloed gehad op de mode na 1910. De door Leon Bakst ontworpen exotische, fel gekleurde kostuums vormden voor Paul Poiret een nieuwe inspiratiebron. Zijn ontwerpen zoals tunieken en kimono's gaven blijk van oosterse invloeden en hij creëerde een nieuw silhouet: slank en soepel. Hetzelfde deed Mariano Fortuny (Italiaanse schilder en ontwerper) met de delphos, een lange japon van geplisseerde zijde. Jonge kunstenaars zoals George Lepape waren bij Poiret in vaste dienst als tekenaar. In de jaren die aan de Eerste Wereldoorlog voorafgingen werd veel gedanst in theaters, restaurants of thuis bij de pathefoon (oude platenspeler). De modedans van deze tijd was de tango.


De kleding van de vrouw kreeg een volledig ander silhouet: van boven breed, naar onder toe smal uitlopend. Het lichaam werd niet langer in de taille ingesnoerd. Japonnen hadden een hoge taille, een 'strompelrok' en dikwijls een tunica (lampekapsilhouet). Er was veel kritiek op de nieuwe lage V-hals die zowel aan voor- als achterzijde van japonnen en blouses werd gedragen.


Veelgedragen: blouse en rok.
 

De mantel: minder mantels maar veel mantelkostuums met een tamelijk lang jasje en een zeer nauwe rok, vaak voorzien van splitten. Zeer modieus: het kimonojasje dikwijls afgezet met bont of struisveren.
 

De onderkleding: in Duitsland werd het wollen Jaegerondergoed gepropageerd . Andere landen meestal ondergoed van zijden of katoenen tricot. Nieuw: een recht korset en de eerste bustehouder , ontworpen door Poiret, maar nog weinig gedragen. Om de rokken voor uitscheuren te behoeden werd een band tussen de knieën gedragen.


De sportkleding: voor het eerst badkostuums uit één stuk, met pijpen tot de knieën, gemaakt van wollen tricot en gedragen met zwarte kousen en badschoentjes.

 
Het haar: losjes opgestoken, soms gekrulde pony.
De hoed: aanvankelijk erg groot met veel garnering. Poiret bracht ook kleine tulbandkapjes met aigrettes.


De accessoires: ceintuurs, hoedenspelden

(afb. 3), Jugendstil sieraden van vensteremail. De eerste lippenrouge uit een potje. Poiret creëerde een eigen parfum.


De schoenen: nog veel knooplaarsjes, maar meer en meer laag uitgesneden schoentjes met halfhoge hakken (pumps). Zeer à la mode: tangoschoenen, zwarte schoenen met hoge hakken en banden die om het been werden gekruist.


De kleding van de man onderging slechts summiere veranderingen. Het kostuum bestond nog steeds uit jasje, broek en vest van dezelfde stof, een wit hemd met losse boord en een strikje of geknoopte das (afb. 4). Het jasje meestal een costume-veston-type. In ca. 1911 werd voor het eerst een plooi in de herenpantalon geperst.
 

De mantel: voor op reis een lange, rechte jas; voor de stad een wat kortere, getailleerde jas.
De hoed: bolhoed, Homburghoed, hoge hoed en strohoed. Petten voor sportieve doeleinden en op reis.
 

De accessoires: dasspeld, horlogeketting, manchetknopen, wandelstok met ivoren of zilveren knop, handschoenen.

 

 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 1, japon, 1911, crème sisalvezel, garnering van soutaches, tule en borduurwerk © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb.2, onderjurk, ca. 1911, linnen batist met machinale Valenciennes kant © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 3, paar hoedenpennen, ca. 1910, verguld koper, beschilderd porselein, lengte 23,6 cm © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 4, kostuum bestaande uit colbert, vest, twee pantalons ca. 1910, shantoeng zijde © Centraal Museum Utrecht
 


Kleding 1914 - 1919: Eerste Wereldoorlog


In deze periode was West-Europa in beroering door de Eerste Wereldoorlog. De afwezigheid van de mannen vereiste van de vrouwen zelfstandigheid. Dit had uiteraard invloed op de mode. We zien dan ook na 1914 dat de strompelrok werd vervangen door een meer praktische wijde, kortere rok. In het enkele modetijdschrift dat nog verscheen werden voor het eerst modefoto's geplaatst. Het beroep van fotomodel werd echter niet respectabel geacht. Voor het eerst zien we Amerikaanse invloeden op de Europese cultuur, vooral uit de wereld van het amusement. De dixiland jazz (New Orleans, 1916) en de stomme film (Charley Chaplin en Mary Pickford) werden snel populair.


De kleding van de vrouw was in enkele jaren volledig van silhouet veranderd. De japon had brede schouders, brede revers aan een kraag die opvallend hoog in de nek opstond, een wijde rok en een slanke taille. In het algemeen werden meer namiddagkostuums, mantelkostuums en blouse-rokcombinaties gedragen dan japonnen. Omdat veel vrouwen in de rouw waren lag in de modetijdschriften de nadruk vooral op zwarte kleding, rouwsluiers enz.


Coco Chanel werkte tijdens de Eerste Wereldoorlog in een veldhospitaal in Deauville, Frankrijk. De donkerblauwe wollen jakken en pullovers van de mariniers inspireerden haar. Ze versierde ze met stiksels en hier en daar een broche en flaneerde ermee op de Promenade de Deauville. Veel dames uit die tijd volgden haar voorbeeld en schaften de oorlogscrinolines af. Ook al omdat ze in de shawlkraagjasjes met ceintuur en wollen jakken gemakkelijker hun werk konden doen.


Een nieuw type jasje met een shawlkraag en een ceintuur werd veel gedragen.


De mantel: wijd model met hoog opstaande kraag, soms gedragen met een ceintuur.
 

De onderkleding: lang korset niet jarretelles, zijden kousen (modekleur staalgrijs), hemd en broek of chemise-enveloppe . Dit was de vroegere combination voorzien van een split.
De beha werd nog maar door een enkeling gedragen.
 

Het haar: losjes opgestoken haar door een permanent gekruld.
 

De hoed: hoge toque of grote platte hoed met lint.
 

De accessoires: grote paraplu, handschoenen, mof. Voor het eerst werd door 'gewone' vrouwen oog make-up gebruikt. Met een zacht potlood werden lijntjes onder het oog aangebracht.
 

De schoenen: onder de kortere rokken veel knooplaarzen. Schoenen met hakken en vetersluiting , vaak in twee kleuren leer (afb. 3).


De kleding van de man kreeg in deze oorlogsperiode nog minder de aandacht dan al tientallen jaren het geval was geweest.
Het jasje van het meestal grijze, zwarte of gestreepte costume-veston kon zowel van één als twee rijen knopen zijn voorzien. Sportieve kostuums waren vaak van tweed en in plaats van een lange broek werd ook wel een plusfours gedragen. De lange pantalon had pijpen met ingeperste plooien en met omslagen.

 

De hoed: deukhoed, bolhoed, strohoed en (geruite) pet. Voor het eerst zag men mannen zonder hoofddeksel buitenshuis.
 

De accessoires: zie vorige periode.
 

De schoenen: veterschoenen, soms tweekleurig.


 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 1, japon, 1916, roze zijden crêpe, garnering van doorzichtige kraaltjes en roze zijden satijnband

© Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 2, badpak, 1918, rood katoenen flanel met witte noppen

© Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 3, paar schoenen, ca. 1916, goudkleurig leer, bruine veters lengte 23 cm

© Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 4, avondjapon, ca. 1918, roestbruin zijden crêpe-chiffon op fel groen zijden satijn, garnering van witte kralen op tule, ceintuur van donderbruin zijden satijn

© Centraal Museum Utrecht

 

Pagina 1     Pagina 2     Pagina 3